Leven voor de dood – Jerome Groopman
Waarom stijgen sommige mensen boven zichzelf uit door de wetenschap dat ze een dodelijke ziekte hebben, terwijl anderen er geestelijk door gebroken worden? Hoe kunnen we lering trekken uit zo’n uitzonderlijke tijd en die lessen toepassen op ons eigen leven? In Leven voor de dood belicht de vooraanstaande arts Jerome Groopman deze cruciale menselijke vragen via acht portretten van patiënten die oog in oog hebben gestaan met de dood. Groopmans betrokkenheid komt deels voort uit persoonlijke ervaring: tijdens zijn studie moet hij machteloos, toezien hoe zijn vader door een foute inschatting van de arts met onnodig lijden sterft. Een van de acht portretten betreft zijn beste vriend, een broer haast.
En in de epiloog beschrijft hij hoe zijn moeder wordt getroffen door borstkanker en hoe hij daarmee als zoon probeert om te gaan. En ten slotte is er nog zijn eigen ziektegeschiedenis. Door deze ervaringen, gecombineerd met een religieus joods bewustzijn, is hij in staat zijn patiënten niet enkel afstandelijk te beschouwen maar ook een zeer persoonlijke relatie met hen op te bouwen. De portretten zijn door hun warmte en mededogen van een serie medische casestudies dan ook getransformeerd in een spirituele reis waarin kritisch denken en zelfbewustzijn voorop staan.
In de traditie van Oliver Sacks, Sherwin Nuland en Elisabeth Kubler-Ross helpt dit boek de lezer in het omgaan met de dood.
DR. JEROME GROOPMAN is hoogleraar in de immunologie aan de medische faculteit van Harvard, hoofd experimentele geneeskunde van het Beth Israel diaconessenhuis, en een van ‘s werelds gezaghebbendste onderzoekers op het gebied van kanker en aids.
Recensie
Via case-story’s kunnen geïnteresseerde leken redelijk veel informatie opdoen. In dit boek beschrijft een vooraanstaande arts, die ook onderzoeker is (vakgebieden aids, kanker en bloedziekten), hoogleraar in de immunologie aan de medische faculteit van Harvard en hoofd experimentele geneeskunde van het Beth Israël diaconessenhuis, zijn ervaringen met patiënten. De verhalen zijn over het algemeen sober geschreven, alhoewel “vaktaal” en soms wel heel veel medische uitleg het boek niet voor iedereen geschikt maken. In eerste instantie vooral een interessant boek voor artsen, verpleegkundigen en voor leken die door hun werk als hulpverleners in dit circuit geïnteresseerd zijn. Het bijzondere is dat uit de verhalen blijkt dat een zó druk bezet arts en onderzoeker als deze auteur tóch de tijd neemt om zijn patiënten tot het uiterste te blijven zien als mensen, die behoefte hebben aan de menselijke betrokkenheid van de arts. Het boek, bedoeld om te laten zien, hoe mensen denken, voelen, reageren als ze oog-in-oog met de dood staan, geeft ook duidelijk weer, hoe zwaar het voor de behandelende arts kan zijn evenwicht te bewaren tussen persoonlijke èn noodzakelijke afstandelijke gevoelens. Een prachtboek voor de doelgroep.
(Biblion recensie, T. van Oirschot-Sparla)

